De economische voorspoed van Amsterdam in de 17de eeuw is inderdaad legendarisch: de stad groeide van 30.000 inwoners rond 1580 naar 200.000 inwoners in 1674. De stad werd in vier golven  uitgebreid en rond 1663 schilderde Nicolaes Berchem zijn Allegorie op de Uitbreiding van Amsterdam (met heel veel allegorie; de stadsmaagd, iets rechts van het midden, houdt de kaart vast met daarop de vierde uitbreiding).  Vanaf 1612 betaalde Amsterdam 25% van alle belastingen en domineerde met haar economische overwicht de politiek van Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden[ref]Burke, Peter, Venetië en Amsterdam, 1991, blz. 55[/ref] . Vele religieus vervolgden vonden in de 16de en 17de eeuw een toevluchtsoord in Amsterdam. Door de komst van sefardische Joden werd Amsterdam zelfs een centrum van Joods leven in Noord-Europa. Dat riep weer veel verzet op onder gereformeerde predikanten, die hun status als vertegenwoordiger van de publieke kerk[ref]Op de Synode van Dordrecht in 1618 hadden de Contra-Remonstranten, in een theologisch dispuut over de predestinatie en de interpretatievrijheid dat schelle politieke bijklanken had gekregen, de overwinning behaald op de gematigde Remonstranten. De leer van de Contra-Remonstranten werd de officiële leer van de Gereformeerde Kerk. De Remonstranten werden geëxcommuniceerd. Alleen leden van de Gereformeerde kerk mochten overheidsambten bekleden. Getolereerde gezindten waren Lutheranen, Doopsgezinden (Mennonieten) en later ook de Remonstranten. Ook waren er heel wat kleine sektes,  “stiefkinderen van het christendom”, vaak afkomstig uit het buitenland, die weinig in de weg werd gelegd. Het katholicisme was verboden, maar het bestaan van schuilkerken was een algemeen bekend geheim.[/ref] op alle fronten wilden verdedigen.
Amsterdam was ook het financiële zenuwcentrum van de internationale economische leven. De Wisselbank (1609) en de Beurs (1611) ondersteunden de handel met een waaier aan financiële diensten die ook al gauw speculatief werden aangewend. Op de kapitaalmarkt die hier was ontstaan werden b.v. aandelen van de VOC, obligaties van steden en van de Republiek, futures op waren als koren, peper of zout en Engelse fondsen verhandeld.  The Amsterdam bank and stock exchange became the main European mechanisms through which accumulated capital was made profitable, and the Amsterdam elite controlled these money and financial markets.[ref]Bavel, B. van, The invisible hand? blz. 191[/ref]
De Amsterdamse elite, een klasse van rijke kooplieden -de regenten-, vervulde meestal ook de magistraatfuncties van burgemeesters en schepenen; zij werden benoemd door de Vroedschap waarvan men lid werd door “uitverkiezing” of coöptatie. Ook waren zij geregeld vertegenwoordiger van Amsterdam in provinciale en federale instellingen en oefenden een grote invloed uit op de Verenigde Oost- en Westindische Compagnie. In het eerste stadhouderloze tijdperk -de voorlaatste stadhouder Frederik Hendrik noemde Amsterdam ooit de grootste vijand die hij had- van 1650 tot 1672 was Johan de Witt raadpensionaris. Afkomstig uit een Dorts regentengeslacht, wist hij door nauwe samenwerking met Cornelis de Graeff, afkomstig uit een amsterdamse patriciërsfamilie, in 1650 raadpensionaris van Holland te worden. Door zijn huwelijk met de Amsterdamse regentendochter  Wendela Bicker trad hij toe tot het Amsterdamse patriciaat en werd hij zelfs familie van Cornelis de Graeff.
Rond 1650 bloeide de gouden eeuw als nooit tevoren en de rijke Leidse lakenhandelaar Pieter de la Court ging in Interest van Holland, ofte gronden van Hollands-Welvaren [ref]gepubliceerd in 1662[/ref] op zoek naar de gronden van die unieke economische opmars. Peilers van Hollands welvaart waren volgens de la Court zijn unieke ligging, zijn visserij en bovenal zijn negotie, d.w.z de handel over zee. [ref]Dus hebbende geconsidereerd Hollands bequaamheid tot de visseryen, en in mijn gedachten komende dat de Hollandse negotie daar van wel allermeest schijnd te dependeeren; zoo zal ik nu bedenken waar in die bequaamheid meest bestaat.
Ten eersten moet ik zeggen, dat ik met het woord negotieren verstaa ietwes te koopen om te verkoopen, ’t zy ter sleet, ’t zy op dat het zelve wederom zoude verder mogen werden verkoft, zonder daar aan gebracht te hebben eenige veranderinge: zulks buitens lands goede koop in te koopen, om weederom buitens lands dierder te verkoopen, ofte wel de goederen die hier gebracht ofte gemaakt zijn, goede koop in te koopen, om buitens lands dierder te verkoopen, maar het considerabelste gedeelte is, van ’t gunt ik nu met het woord negotie verstaa.[/ref]
  Amsterdam was dankzij de VOC en de walvisvaart uitgegroeid tot “machtigste koopstad die ooit in Europa was” en de Hollanders domineerden de wereldzeeën: “by naast alle Natien, zo uit den grooten Oceaan, Middellandse, Indische, als Belt-zee gevaren hebbende, genoegzaam door de geheele wereld, alleen op vracht aanleggen en ter zee koopmanschappen.” Om dit alles niet in gevaar te brengen was vrijheid van religie en vrij personenverkeer -“de vryheid om de kost te mogen winnen”– nodig; immigratie als economische aanjager.[ref]En hoewel dit altijds eenige oude ingesetenen nadeelig is, die garen de winsten alleen doende, voorwenden, dat een borger boven een vremde voordeel behoorde te hebben; zoo is en blijft waarachtig, dat een Staat die uit zijn eigen zelven niet bestaan kan, gedurig nieuwe inwoonders tot zich trekken ofte geruineert werden moet.[/ref]  Gilden en besloten compangien spoorden niet meer met de ontluikende moderne markteconomie en leverden in de ogen van De la Court geen bijdrage aan de welvaart want “de zekere profijten maken de menschen dom en traag; en armoede zoekt list.” Maar het meest bedreigend voor Hollands welvaart waren oorlog en monarchie. Daar werd iedereen slechter van, maar in de ogen van De la Court werd een groep dan bovenmatig getroffen: soo drukken zy [de Heeren] en door haar krijgsmacht en door de hof houding alle onderdanen, voornementlik de koopluiden, ondragelik[ref]En vermits alle zoodanige Heeren koninglik hof houden, ’t zy de selve Koning, Prins, Hertog, Graaf, Gouverneur, Protecteur, Stadhouder, Kapitain Generaal, &c. werden genoemd (aan de naam is niet gelegen) soo drukken zy en door haar krijgsmacht en door de hof houding alle onderdanen, voornementlik de koopluiden, ondragelik; want die Heeren, haar favoriten, en soldaten, alle quade huyshouders zijnde, soeken gedurig geld; weinig om sich te verrijken, meest om ’t selve in overdaad en dolle oorlogen te quisten: en nergens konnen zy dat gemakkeliker vinden, als by de koopluiden, die veel roerend goed hebben, en buiten regeringe zijn, sulks men dat gemeenelik te leen eischt, oste by weygeringe aanslaat, en in beyde gevallen is den koopman gewisselik zijn goed quijt.[/ref] .

Maar de economische ontwikkeling van Amsterdam had een keerzijde. Neem een handelaar Louis Trip. Afkomstig uit een rijke familie investeerde hij in 1632 rond 46.000 gulden in twee zaken. Rond 1660 was zijn vermogen gegroeid naar 600.000 gulden en in 1685 waren zijn bezittingen 900.000 gulden waard. Een kwart zat in vastgoed, een kwart in overheidsobligaties en ongeveer eenachtste in VOC aandelen. Zijn familie investeerde ook stevig in de inpolderingen (1610-1640) in Noord-Holland en verpachtte het nieuw gewonnen land; grote boerenbedrijven produceerde voor de markt.[ref]Leading Amsterdam merchants and other urban interests then dared to plunge at least ten million guilders — far more than they and their contemporaries had invested to establish the Dutch East India Company in 1602 – into the application of new windmill pumping techniques to the drainage of a series of lakes covering in total 26,000 hectare. Their speculative investments changed the face of North Holland. The new polders removed the most dangerous threats to the Peninsula and augmented its land area by one-third, but, just as important, they altered the economic geography of the entire region, blocking access to the sea from many villages, and reducing inland fishing possibilities as they added a whole new class of large farmers and enlarged the marketing functions of the towns.
Vries, J. de, Woude, A. van der, The First Modern Economy, 2010[/ref]
 De commercialisering van de economie en opkomst toegankelijke van markten voor land, kapitaal en arbeid  had grote gevolgen voor de verdeling van inkomen en vermogen.  Nieuw land was voor het grootste deel in bezit van de gefortuneerde stedelingen en dat gold voor de helft van al het “oude” land. Hoewel in de zestiende eeuw, zeker in de grotere productiesteden, de ongelijkheid al was toegenomen, waren de vermogens van de handelende partriciers nog in zekere mate begrensd. In de 17de eeuw ontstonden vermogens met een gigantische omvang, terwijl aan de onderkant van de samenleving door stagnatie de inkomens afnamen. De patriciërs financierden de groeiende overheidsschuld en kozen steeds vaker voor deze veilige haven als het ging om investeringbeslissingen. Hierdoor ging het bestuur van Amsterdam langzaam uit handen van ondernemende handelaren over in dat van renteniers .[ref]The Amsterdam vroedschap registered a general shift in the percentage of councillors who had no recorded occupation (who are conventionally assumed to live off their rents) and who owned a country seat: from 33 percent sans occupation and 10 percent cum seat in 1618-50 to 66 and 41 percent, respectively, in 1650-72. Adams, J., The familial state, blz. 72[/ref]  Met een Gini-coëfficiënt  van 0,85 plaatste Amsterdam zich in 1630 nog boven Florence op de ongelijkheidsladder. In 1631 werd in Amsterdam een vermogen van 63 miljoen gulden belast; eenderde daarvan was in bezit van 1% van de vermogenbezitters. De klasse van ondernemende handelaren ging langzaam over in die van de renteniers die   Maar ook bijna 2-4% van het BBP van Holland werd in de 17de eeuw als inkomensondersteuning uitgekeerd. Niet aan de armste delen van de bevolking, maar vaak via gilden aan de minder gelukkige leden ervan. Loonarbeiders vielen buiten dergelijke charitas; voor hen bleef de keuze tussen terugvallen op de familie of nog harder strijden op de toch al competitieve Hollandse arbeidsmarkten.[ref]Zie Bavel, B. van, The invisible hand? blz. 191-195[/ref]

Holland was erin geslaagd  vanaf 1645, onder de tolerante, maar inmiddels zieke stadhouder Frederik Hendrik, uit de schaduw van de stadhouder te treden en het initiatief bij de vredesonderhandelingen met Spanje in Münster, Westfalen naar zich toe te trekken. Het lukte de Hollanders uiteindelijk om ook Utrecht, dat aarzelde en Zeeland, dat zelfs pas enige weken later dan de andere provincies heeft getekend, over te halen zich in 1648 bij de vrede met Spanje aan te sluiten. De oorlog die tachtig jaar had geduurd was voorbij,

De nieuwe stadhouder Willem II, die zijn vader in 1647 was opgevolgd, was niet ingenomen met het vredesverdrag, maar kon de Hollandse regenten toen nog geen weerstand bieden. Willem II legde zich allerminst neer bij deze situatie en wist na 1648 veel van het verloren terrein terug te winnen, gesteund door de omstandigheden die in zijn voordeel uitpakten. Er waren staten die van de vrede economisch zeker geen voordeel ondervonden (Zeeland), de militaire uitgaven werden flink gereduceerd wat in veel garnizoenssteden tot economische achteruitgang leidde en mislukte oogsten lieten de broodprijs in 1648-1650 flink oplopen. Verbitterde calvinistische dominees schreven pamfletten vol met de stelling dat dit een straf was voor de regenten die te weinig werk zouden maken van de reformering van de op Spanje teruggewonnen Generaliteitslanden en voor hun lakse houding tegenover katholieke en protestantse andersdenkers in het algemeen. Omdat de overgang van het katholicisme naar het protestantisme in de nieuwe gebieden niet echt wilde vlotten, dacht men erover om katholieken daar van alle bestuurlijke posities uit te sluiten. De Staten van Holland keerden zich tegen deze maatregel en sloegen daarmee het advies van de stadhouder in de wind. De orthodoxe Calvinisten wendden zich tot de stadhouder die deze kans niet onbenut voorbij liet gaan en zich opwierp als hoeder van de ene, publieke gereformeerde kerk.
Holland kwam door de politiek van Willem II stevig onder druk te staan. Het conflict transformeerde zich tot een constitutionele crisis toen Holland, in de strijd om de troepenreductie, vasthield aan het soevereine recht om zonder de toestemming van andere bestuursorganen de legeronderdelen die zij bekostigde, op te doeken. De stadhouder probeerde de verdeeldheid onder de Hollandse steden aan te wakkeren, Amsterdam verhoogt de druk op steden die neigden naar het standpunt van de stadhouder. Nadat Holland de ontslagbrieven had verstuurd kreeg de stadhouder van de Staten Generaal het recht de steden die deze maatregel steunden te bezoeken. Zo probeerde de stadhouder, niet alleen met pamfletten en vervalste documenten, maar ook met openbare optredens de bevolking bij het conflict te bespelen. Toch komen Holland en de stadhouder midden juli 1650 heel dicht bij een overeenstemming over de troepenreductie.  Maar geen van beide wil uiteindelijk de laatste stap zetten, want die partij zou worden gezien als degene die de nederlaag had geleden. Amsterdam beantwoordde de laatste voorstellen van de stadhouder met een brief waarin de stadhouder er op gewezen wordt dat  hij de dienaar is van de provincie en haar heer.[ref]Amsterdam, heart of Holland’s resistance, sent a long reply to the States of Holland on 27 July on William’s proposals. It castigated not only the advisers who had prompted him to take unwise measures but also the Prince of Orange himself. A Stadholder was the servant of a province and not its master; it was for him to obey its commands. Amsterdam wished to “enjoy the fruits of the present Peace, which would be impossible if the troops, which are unnecessary and disorderly, are retained.” It was a challenge to the Prince in his own dignity and in the instrument of his authority, but it was a challenge given after its reply was already being prepared. Rowen, Rhyme and reason, blz. 70[/ref] De plannen waarop de stadhouder al langer broedde -een staatsgreep- was het antwoord dat Amsterdam kreeg. Op 30 juli 1650 werden diverse regenten, waaronder Jacob de Wit, de vader van de Johan de Wit, gearresteerd en bleek een leger van 12.000 man onder leiding van de neef van de stadhouder, graaf Willem Frederik, op weg naar Amsterdam voor een verrassingsaanval. In de buurt van Hilversum werden zij ontdekt en Amsterdam kon tijdig de poorten sluiten en de nodige verdedigingsmaatregelen nemen. Aertsbergen, een gelderse edelman die Frederik Hendrik lang had gediend, sprak Willem II kort na de arrestaties en herinnerde hem eraan dat hij vaak had ontkend dat hij dergelijke plannen koesterde. Ook wees hem er op dat hij een “extirpation of the Royal House and dignity” as the Stuarts had suffered in England[ref]Rowen, Rhyme and reason, blz. 72. De vrouw van Willem II, was een dochter van de in 1649 onthoofdde Karel I.[/ref] riskeerde. De wijze waarop de gedeputeerden waren gearresteerd  leek veel op wat Van Oldenbarneveldt in 1618 was overkomen in zijn conflict met prins Maurits  en de gearresteerde afgevaardigden zullen zich zijn lot met schrik hebben herinnerd.
Willem II ziet af van een bestorming van Amsterdam en besluitt om te onderhandelen met de stadhouder. Het openen van de dijken als ultime verdedigingshandeling zou enorme schade hebben toegebracht aan het omliggende land en de Amsterdamse handel. Op 2 augustus werd een overeenkomst gesloten waarbij een extra clausule is opgenomen die de gebroeders Bicker uitsluit van deelname aan de vroedschap. Op 13 augustus komen de Staten Generaal en de stadhouder overeen dat het militaire budget uit juli wordt geaccepteerd, maar ook dat eenzijdige actie van een provicincie om zijn militaire budget aan te passen in strijd zou zijn met de Unie van Utrecht. De gevangen genomen gedeputeerden, die in de tussentijd naar slot Loevenstein waren overgeplaatst, werden vrijgelaten. De coup d’ état was zonder bloedvergieten beëindigd en Willem II voelde zich de winnaar:  “this affair has entirely re-established my authority.”[ref]Rowen, Rhyme and reason, blz. 77[/ref]
Veel tijd om zijn gezag verder uit te bouwen was hem niet gegund: vier maanden later overleed Willem II aan de pokken. Holland weet in de daaropvolgende maanden haar dominante positie in de Republiek te herstellen en in Holland krijgt de anti-orangistische factie de overhand. In 1651 wordt tijdens de Grote Vergadering van de Staten Generaal besloten geen nieuwe stadhouder aan te stellen. Het eerste stadhouderloze tijdperk was begonnen.

Internationaal nam de politieke betekenis van Spanje langzaam af, ging Frankrijk onder Lodewijk XIV op zoek naar ruimere en natuurlijke buitengrenzen en keerde de oude protestantse bondgenoot Engeland zich in 1651 tegen de Republiek in de strijd om de hegemonie op de wereldzeeën. De Verenigde Provincieën waren er namelijk in de tien jaar na 1640 in geslaagd hun handel met Spanje, rond de Middelandse Zee en het Nabije Oosten op spectaculaire wijze uit te breiden. Dat ging ten koste van de Engelse vloot die dat ook al in het Noorden veel handel aan de Hollanders was kwijtgeraakt.