Begonnen de jaren zeventig met een gevoel dat een droom uit is, de jaren tachtig beginnen als een nare droom waar geen eind aan komt, een nachtmerrie. “De bezuinigingsoperatie van één percent van het kabinet-Den Uyl, de ingrijpender Bestek-plannen van het kabinet-Van Agt – zij vallen in het niet bij de gigantische bezuinigingen die ons verder nog staan te wachten. Om het bedrijfsleven beter te laten draaien. Maar vooral om te proberen de werkloosheid terug te dringen tot zo’n 200.000 mensen. Over het Bestek-doel, 150.000 werklozen, durft men in het kabinet en in het CDA niet eens meer te fluisteren.”(Het vrije volk, 16 augustus 1980)
Bezuinigen, loonpauzes, ontkoppelen, korten, uitgavenstop, herziening van het stelsel van sociale voorzieningen, herverdeling van arbeid: geen enkele middel wordt geschuwd om het economisch tij te keren.
Eind 1982 treedt het eerste kabinet Lubbers aan. In een interview in Het vrije volk van 12 februari 1983 geeft hij drie sporen aan waarlangs een nieuwe “no nonsense” aanpak Nederland uit het dal zal leiden. Ten eerste bezuinigen (overheid), ten tweede lastenverlichting en dereguleren (bedrijven) en herverdeling van werk (arbeidsmarkt). „Ik voor mij vind niet alleen de lastenverlichting waar de werkgevers zo over spreken belangrijk, maar vooral de deregulering”. Ten derde het belangrijkste, maar ook het moeilijkst: het herverdelen van werk.”
Het aantal werklozen is begin jaren tachtig zo hard toegenomen en de vooruitzichten zijn zo somber dat premier Lubbers in 1984 zijn politieke lot tijdens een toespraak in Straatsburg aan deze cijfers verbindt . “Er komt in Nederland geen miljoen werklozen en “als ze er komen zal ik er niet meer zijn“. .. De premier hamerde nogmaals op de noodzaak om de overheidstekorten te verminderen, anders bezwijkt het land volgens hem spoedig onder de rentelast van allerlei leningen. .. Het Centraal Planbureau voorspelt voor 1986 weliswaar ruim een miljoen werklozen, maar daar moeten we ons niet bij neerleggen, aldus Lubbers.”(Het vrije volk, 6 april 1984). De stormbal is gehesen.

Het overheidstekort, zo vindt men, is uit de hand gelopen, met als gevolg een onrustbarend stijgende staatsschuld. De laagste staatsschuld ooit in 1977 (38,1%) loopt in 1983 al op tot 60,5% BBP en begint pas begin jaren negentig, op een top van 75% BBP, aan een daling. Er wordt al sinds de jaren zeventig gesleuteld aan het terugdringen van het tekort van de overheid: de 1-percent operatie van Duisenberg en Bestek 81. Maar erg succesvol zijn de maatregelen niet. Het overheidstekort loopt vanaf 1973 gestaag op van 0,3% naar tekorten met een omvang van rond 5% van het BBP in de jaren tachtig.

 

Maar niet alleen het tekort loopt op, ook het beslag dat de collectieve uitgaven leggen op het nationale inkomen. De collectieve uitgaven stijgen van 45% midden jaren zeventig naar ongeveer 60% BBP midden jaren tachtig. Met name in de jaren zestig (met 11,3% BBP) en zeventig (met 16,8% BBP) gaan de collectieve uitgaven als percentage van het BBP sterk omhoog. Om echter een correct beeld van de na-oorlogse ontwikkeling van de collectieve uitgaven te krijgen, moet de groei van het BBP erbij betrokken worden. En die was in de jaren vijftig hoog. Omgerekend per hoofd van de bevolking was toen de groei van het BBP zelfs twee keer zo hoog als in de periode 1971 tot en met 1983. In dit licht bezien komt het CPB dan ook tot de conclusie dat “ondanks een minder snelle stijging van de collectieve uitgavenquote, het niveau van de collectieve uitgaven in de jaren vijftig meer is gestegen dan in de periode 1971-1983.”(De collectieve uitgaven in historisch perspectief, CPB, 2006, blz.17). Stagnerende economische groei gooide in de jaren zeventig roet in het eten en kan bij een terugblik gemakkelijk zand in de ogen strooien! De actieve staat, zo blijkt nu, heeft flinke problemen met het huishoudboekje en slokt een steeds groter deel van het nationale inkomen op en de sociale zekerheid speelt daarin een belangrijke rol. In 1983 wordt 20% van het BBP besteed aan sociale zekerheid. In 1950 was dat nog 4,8% BBP. De helft van de groei van de collectieve uitgaven tussen 1950 tot 1983 komt voor rekening van de uitgaven voor sociale zekerheid en in 1983 gaat eenderde van alle collectieve uitgaven naar de sociale zekerheid.

Van alle collectieve uitgaven zijn er twee uitgavenfuncties die sinds 1950 onafgebroken zijn gegroeid: Openbaar bestuur en veiligheid en Collectieve zorg. De Overdrachten aan bedrijven groeide als gevolg van de invoering van de Wet Investeringsrekening (WIR) in 1975 en de staatssteun aan bedrijven in problemen tot 5,5% van het BBP. In de jaren daarna wordt op deze uitgavenfunctie, na de sociale zekerheid, het meest bezuinigd.

Maar de grootste stijger (tot 1983) en daler (na 1983) is de sociale zekerheid. De stijging is voor een groot deel toe te schrijven aan een toenemend gebruik van de regelingen WW, WAO en de bijstand sinds 1970. Daardoor loopt de arbeidsparticipatie (vooral van mannen) in de periode 1970-1983 terug en wordt de teller van de uitgavenquote groter (meer uitkeringen) en de noemer kleiner (minder productie), zodat deze ontwikkeling een sterk effect heeft op de uitgavenquote. Pas na 1983 treedt hierin een verandering op. De groeiende vrouwenparticipatie geeft de Nederlandse economie dan een extra impuls en draagt met dit ‘noemereffect’ bij aan de daling van de collectieve uitgavenquote. De daling van het aandeel van de uitgavenquote voor sociale zekerheid sinds 1983 moet -naast aantrekkende conjunctuur en stijging van de vrouwenparticipatie- vooral worden gezocht in beleidswijzingen aangaande de sociale zekerheiden: aanscherping van toegangscriteria, verlaging van uitkeringspercentages en beleid aangaande het minimum loon, waaraan de meeste uitkeringen zijn gekoppeld. “Midden jaren zeventig steeg het minimumloon veel meer dan de algemene productiviteitsstijging. Begin jaren tachtig is echter door ontkoppeling ingegrepen op de hoogte van het minimumloon en daarmee op de hoogte van de uitkeringen. Door deze ingrepen en de hoge incidentele loonontwikkeling zijn de minimumlonen en de uitkeringen fors achtergebleven bij de algemene productiviteitsontwikkeling (zie figuur). Ook na het begin van de jaren tachtig is de ontwikkeling van het minimumloon zeer beperkt gebleven. Als gevolg hiervan is het niveau van het minimumloon in 2003 in reële termen vergelijkbaar met dat in 1974. “(De collectieve uitgaven in historisch perspectief, CPB, 2006, blz.37)